Natuurkleed

Natuurkleed

Het zachte weer verstoort mijn werkzaamheden binnenshuis. Boeien natuurlijk want hoe heerlijk is het onverwachte nazomertje. Natuurlijk ga ik toch aan de wandel al blijft mijn hoofd zich ondertussen bezighouden met de inrichting van de woonkamer en niet bij het zonnige buiten. Diep in gepeins over de keuze van een nieuw carpet in de woonkamer dwaal ik door de velden. Gelukkig word ik weer eens uit mijn overpeinzingen gered door een dier.

Deze keer door een jonge jachthond. Het dier springt in volle vaart over de sloot, doorkruist het weiland met een bloeddorstig gekef en racet recht op een kalm waggelende zwaan af. De baas van de hond doet of hij niets ziet en loopt met zijn mobiel aan zijn oor rustig verder over het pad. ‘Hé,’ roep ik nog, ‘dat kan je toch niet maken!’ Maar mijn blik is al afgedwaald want terwijl de zwaan net op tijd het luchtruim kiest, stoot hij een grote wolk vinken op die onzichtbaar in het weiland zat.

Ik volg de wolk met mijn verrekijker en zie de vogels al snel dalen in het stoppelveld waar ik langs wandel. Voorzichtig loop ik wat dichterbij tot ik het geheel goed in beeld heb. Wat ik zie is zo prachtig dat ik bijna vergeet te ademen. Tussen de zwarte aarde en de gele stoppels liggen herfstbladeren in alle kleuren. Daartussen licht het zacht rozeblauwe van vinken op, het oranjebruin gestreepte van kepen en de zwarte, rode en gele spetters van putters.
Dit is het, het carpet dat ik altijd al in mijn kamer wilde.

Te vroeg

Te vroeg

Het is vijfuurveertig in verlichte cijfers als ik mijn bed uitglijd, een broek aantrek en de trap afloop waar labrador, ongeduldig nagels tikkend op de vloer, opstaat en ondanks haar hoge nood op zoek gaat naar een knuffel om aan te bieden. Zoals dat hoort. Als ik de deur zacht achter me sluit, rent ze naar de berm aan de overkant van de weg en wacht ik in de onverwachte stadse stilte. Niets rijdt voorbij, zelfs geen jeugd die uit de kroeg komt. Er ritselt niks in de struiken, er komt geen vliegtuig over. Ook geen nachttrekkers, geen ijle piepjes van duizenden onzichtbare koperwieken.

Mijn bed is nog warm als ik er weer in kruip, maar ik denk. Als ik nu opsta ben ik om acht uur vanuit de stad op het land. Het wordt prachtig weer. Ik zal in de Drentse tuin zitten lezen, omgeven door pindapeuterende mezen en zacht vallende bladeren. Ik haal wel wat te eten in het dorpje waar bij de oude wasplaats een klein supermarktje zit. Terwijl ik daar heen loop, bedenk ik me dat ik de afspraak van morgen moet afzeggen. ‘Wacht,’ zeg ik tegen labrador en trek de deur van de telefooncel open.

Even later zie ik de hond nergens en raak ik in paniek. ‘Ma chienne!’, roep ik. Twee oude vrouwen komen naar me toe. De een zet haar mand vol groente neer en slaat een arm om me heen omdat ik vreselijk moet huilen. De ander oppert dat de hond misschien dorst had en naar de rivier is gegaan. Natuurlijk, ze is gaan zwemmen, het is zo warm! Ik ren door het dorp, over de kinderkopjes, onder oude poortjes door. Het water van de rivier is zo wild en de hond zo oud. Ik zie de plek waar de weg in het water verdwijnt. Geen hond, maar als ik me omdraai komt ze aangestormd, tong uit haar bek en springt me in de armen. Ik ben zo blij, zo blij, wat houd ik van haar!

Haar dragend en knuffelend loop ik terug naar het dorpsplein. Zonder enige verbazing merk ik dat ze een stuk kleiner is geworden, ongeveer de helft van een labrador en makkelijk te tillen. Ik hoop maar dat mijn mobiel nog in de telefooncel ligt.

Kip op stok

Kip op stok

Ik fietste in de duinen terwijl de schemer vorderde omdat ik wilde wennen aan de teloorgang van de zomerse avonden. Zoals sommige mensen de kleding in hun klerenkasten wisselen van zomer naar winter, wissel ik mijn avondactiviteiten. Want in het donker is het lastig wandelen in het bos en in de tuin werken kan leiden tot snoeien van verkeerde struiken. Of je vingers.

Die winterwisseling is een worsteling, want eigenlijk wil mijn lijf gewoon gaan slapen als het donker wordt. Het kip op stok principe. Na een poosje went het wel weer. Dan gaan om vijf uur de lampen aan in huis, verleng ik op die manier de dag en ben ik weer een beetje gewend aan het binnenshuis doorbrengen van de avonden. Maar de overgang ervaar ik als ronduit lastig. Samen met het verdwijnen van het licht daalt mijn stemming.

Ik fietste dus door de duinen en mijn halfvolle-ik sprak me stilzwijgend toe. ‘Kijk om je heen, wie weet zie je een velduil, of een wisent, of gewoon een damhert, het is toch prachtig nu in de stille duinen.’ Mijn halflege-ik was ondertussen zo goed als in tranen, voelde zich ellendig en haatte dat nutteloze fietsen in het bijna donker. Deze ik was bang om midden op het fietspad op een gigantische mammoet te stuiten. Diens schaduw verwachtte ik na iedere bocht. Ook voelde ik dat er een steeds langere sleep kleine wezentjes aan mijn bagagedrager ging hangen, zodat ik haast niet meer vooruit kwam. Langzamerhand ontstond een gevoel van totale vervreemding die nog groter werd toen bij Zandvoort de tribunes van het circuit zich als een ruimteschip uit de duinen persten, net zichtbaar tegen het laatste licht. Bijna in paniek nu zette ik de e van de bike aan en vloog gevaarlijk snel over het fietspad terug naar de grote weg.

Thuis ontstak ik alle lampen en toen mijn hart weer wat tot rust was gekomen, bedacht ik dat ik de volgende dag plan B zou proberen: keihard muziek aanzetten en meezingen. Wel rottig voor de buren. En waarom dan niet gewoon als kip op stok? Dat wil ik wel, maar alleen in een gezellig hok met vele kipjes en niet in mijn eentje.