Leren vanuit een luie stoel

Leren vanuit een luie stoel

 

Vanuit een heerlijke tuinstoel bekeek ik de wereld. Dat moest want ik had pijn in mijn rug. Een extra dik vest aan, een stapel boeken naast me. De verrekijker. Vandaag moest ik gedwongen lui zijn en dat lukte goed in dit mooie weer.  Zo lui was het nou ook weer niet, want observeren is ook werken of misschien vooral leren. En leren is werken, kortom ik had het best druk. Morgen is mijn rug misschien beter maar dan heb ik vast last van spierpijn in mijn ogen en oren. Maar dat geeft niet, want het stilzitten heeft me veel wijsheid gebracht.

In de afgelopen dagen was het volop lente geworden. De sfeer in de lucht was veranderd en dat raasde door in mijn lijf dat daarvan onrustig werd. Mijn hersens deden hun uiterste best om het gevoel te duiden en trokken het ene na het andere luikje open. De luikjes verwachting, geluk, vrees, verdriet, liefde, ongeduld schoven open en weer dicht. De bijbehorende emoties slingerden door elkaar. Dat is geen fijn gevoel, maar uiteindelijk werd het goede luikje gevonden: lenteschoonmaakenergie. Ik ben echt niet anders dan de andere dieren die de lente juichend begroeten. Ook al heb ik niet, zoals zij, behoefte om een tijdelijke partner te zoeken of om een ei te leggen, de behoefte om mijn nest op te schudden en te verbeteren heb ik wel.

Ik was er meteen mee begonnen, allereerst in de tuin. Maar mijn rug ging snel protesteren tegen het hoge tempo dat ik aanhield bij het scheppen en harken. Er brandde een fel lentezonnetje. Dorstig en ongeduldig dronk ik een kop thee vanaf de tuinbank toen ik plotseling het onmiskenbare kippenvel veroorzakende geroep van kraanvogels hoorde. Natuurlijk  sprong ik ondanks de rugpijn op en ging ze zoeken, dwaalde over de hei tot ik niet meer kon en lag vervolgens voor pampus op een heide-duintje. Misschien kwamen de kraanvogels alleen maar over en zijn ze niet gebleven? Hoe jammer. Net toen ik wilde opstaan van mijn aangename zandbed begon er hoog in de lucht een veldleeuwerik te zingen, zodat ik bleef liggen luisteren. Heel in de verte zong een geelgors en achter mij, tussen de hoge bomen van het bos galmde de luide zuivere tonen van een grote lijster. 

Zo lag ik een poosje alleen maar oor te zijn tot de nestdrang me terug naar huis riep. Ik kon het nog steeds niet laten: blaadjes vegen, schuren en schilderen, de was doen en ophangen, houtrot wegwerken, houtblokken op de stapel gooien. Mijn rug werd er niet beter op.

Vanmorgen kon ik met moeite het bed uitkomen. Zodra de temperatuur het toeliet, klom ik stijfjes in mijn tuinstoel. Nu is het bijna vijf uur en koelt het af want de zon is achter de bomen gedaald. Ik moet naar binnen. Van lezen is weinig gekomen, ik had het te druk met kijken.
Om mij heen componeerden de vogels bijna de hele dag een prachtig concert. Tussendoor kwamen ze wat te snacken halen op de voederplank en bewonderde ik de prachtige lentekleuren van de vinken.

Regelmatig moest ik lachen om de grote bonte spechten die elkaar achterna zaten om de stam van een boom; ik ben er niet, ik ben er wel, ik ben er niet, ik ben er wel, hahahahaha. Bijen laafden zich aan de nectar van de krokussen, muggen dansten in een straaltje zonlicht, kleine motjes vlogen zachtjes door de rododendrons, buizerden zochten mauwend de thermiek. Ik verbaasde me opnieuw over alle kleuren groen in het bos, het nog lichtgeelgroen van het gras, het donsgroen van het sterretjesmos dat hier en daar getooid was met een kroon van lichtgele knopjes, het bijna lichtgevende groen van het mos op de boomtakken.

Wat zie je veel als je gewoon stilzit. Af en toe sloot ik mijn ogen, maar dan vormden zich beelden die ik helemaal niet wilde zien. Vanzelf doken er maatschappelijke problemen, milieucatastrofes en persoonlijke beslommeringen op. Dan deed ik mijn kijkers weer open en tuurde langdurig naar een groen stukje mos, tot ik rustig indommelde. Als ik weer wakker werd was het decor totaal veranderd. Het licht stond anders, er zaten andere vogels in de tuin, het sterretjesmos leek nog meer te glimmen.

Ik voelde me volstromen met een diepe dankbaarheid. Omdat ik nog steeds mag genieten van de restjes pracht van moeder aarde. Ik wel, anderen niet en dat maakte het toch ook een beetje triest.  Zelfs stilzitten helpt niet altijd tegen de onrust van binnen.

Het bos is van mij

Het bos is van mij

Vannacht was het bos van mij.
En niet, zoals veel mensen geloven, van de gekken en de criminelen waar je voor moet oppassen en dus al je tuinlampen moet ontsteken. Niet van de gevaarlijke wolven en uilen, reeën en dassen waarvoor je je tuin hebt omheind en volgezet met schriklichten. Moet je hond toch nog even uit, dan doe je dat mopperend en snel. Bewapend met een felle zaklamp om het enge duister te verjagen. Snel weer naar binnen, met de deur op slot. De tv aan om de stilte en het alleen zijn te verdrijven.

Omdat ik daar allemaal niet in geloof, was het bos vannacht daarom van mij.
Ik wandelde langzaam in de krakende kou en trapte op de schaduwen van de kale bomen. Ze vormden grillige beelden van plotseling ontstane kloven, van lange armen met wijzende vingers, geeuwende hoofden en torenhoge toverhoeden. Boven mij duwde de volle maan de sterren terug in het oneindige, bleekte de zwarte hemel. Aan de rand van een veld bleef ik lang staan kijken naar miljarden diamanten die schitterden aan het oppervlak. Achter mij verwarmden de vele ogen van de spoken die naar me keken mijn rug. Ik liet het duren tot ze er genoeg van hadden en de kou toch mijn vest doorboorde en mijn handen bevroor. Natuurlijk is het eigenlijk hun bos, dat snap ik ook wel.

Langzaam liep ik terug over de schaduwen en groette zonder woorden het gezelschap dat links en rechts van het pad met me meeliep op zacht ritselende hoefjes.

Zeehond in plastic

Zeehond in plastic

Wat eerst een dobberende zeekoet leek, veranderde meer en meer in een drijvende zwarte bal die verdween en weer verscheen tussen de wilde golven en het witte schuim van de branding. Door de harde wind traanden mijn ogen zodat het lastig focussen was met de verrekijker. Ik liep op een strand dat niet overspoeld was met rotzooi uit zeecontainers, maar er lag zoals altijd plastic genoeg. Het zeehondje was nu in de laatste golven voor de kust gezwommen en strekte zijn hoofd om te kijken. Af en toe dook hij weer onder en zwom langzaam zuidwaarts. Ik liep met hem mee. Zijn nieuwsgierigheid werd groter, hij kroop bijna het strand op en toen de golf zich terugtrok zag ik dat zijn lijfje grijs was. Wat was hij klein. Nieuwsgierig of in nood? Plastic ingeslikt?

Dat plastic hield me toch al bezig. De media berichtten druk over de grote opruimacties op de wadden vanwege overboord gevallen zeecontainers. Ikzelf liep alweer dagen rotzooi te ruimen in mijn wijk. De rommel die er elke week weer ligt, werd nu aangevuld met het plastic van het vuurwerk op nieuwjaar. Irritant plastic, waar niemand het over heeft. Eindeloos raap ik kleine zwarte, blauwe, groene en rode halve bolletjes, blijkbaar de hoedjes van knalvuurwerk, je ziet ze bijna niet liggen. Voor de weggewaaide verpakkingen haal ik mijn handen open aan de struiken waar ze diep in zijn gewaaid.

De zeecontainerrommel is natuurlijk rampzalig voor het zee- en landleven, maar wat ik ieder week weer raap in mijn eigen wijk of langs het pad waar ik wandel is ‘normaal’.  Net zoals als dat plastic in de sloten en kanalen waar ik niet bij kan. Daar wordt allang geen artikel meer aan gewijd.

De grootste viezeriken in mijn buurt? Blikjesdrinkers, bierdrinkers, rokers en wiet- en hasjrokers, lunchpauzewandelaars. Ik ruim blik, maar ook de kleine openingsringetjes, flessendopjes, wikkels van sigarettenpakjes, peuken, de hardplastic verpakkingen van stickies (liefst in harde kleine scherfjes stukgetrapt), de kleine weedzakjes, plastic verpakkingen van luxe baksel en brood en de witte kleine sluitinkjes daarvan, snoeppapiertjes die ook plastic zijn. Sinds ik met mijn prikstok loop te ruimen weet ik dat onze planeet geplaveid is met plastic. Het is niet meer weg te krijgen, we gaan er aan ten onder.

Ik bleef de zeehond volgen en hij scharrelde snel de golven in, dook weer op en keek naar me. We speelden een spelletje, dat helaas verpest werd toen mijn hond zijn zeegenoot in beeld kreeg en er nieuwsgierig heen liep. Het zeeschatje bleef nu iets verder weg. Je zou denken dat ik de enige was die kwam uitwaaien maar integendeel, het was druk. Gezinnetjes schoten foto’s van elkaar met zee en zeehond (ongemerkt) op de achtergrond, stelletjes aanschouwden gearmd de hoge golven zonder daadwerkelijk iets te zien. Ik liep er langs en speelde mijn spelletje en niemand die het zag. Ik kon het niet laten en tikte een meisje op haar arm, wees naar de zee en vroeg: zie je het zeehondje? Ze keek me verbaasd aan, volgde toen mijn wijzende vinger en begon enthousiast te schreeuwen naar de rest van het gezin. Ik had spijt van mijn actie.

De zeehond bleef weg en ik vertrok naar huis.  Daar ging ik eten koken en ongewild onnodige plastic verpakkingen openmaken en die daarna netjes gescheiden weggooien. Wat meer en meer voelt als een volslagen nutteloze actie.